Onze war for talent. Moet de overheid helpen vechten?

Op het ogenblik dat we deze tekst uitschrijven hebben onze politici het unisono over de War for Talent. En over hoe de overheid daarbij moet helpen. Als u deze tekst leest, zijn we een maand verder. En de kans is groot dat niemand zich nu nog iets kan herinneren van wat een paar weken geleden nog hot topic was. Maar er is een fundamentelere vraag. Kan de overheid de bedrijven wel helpen bij de zoektocht naar talent?

Al eens ooit geprobeerd om aan een medewerker van Google te vragen waarom hij (of zij) nu precies voor Google werkt? Eerst volgt een blik vol onbegrip. Waarom ademt iemand? Daarna volgt een beleefd antwoord: omdat ik hier de wereld kan veranderen. Er zijn inderdaad merken met een imago dat zo sterk is, dat ze geen moeite moeten doen om nieuw talent aan te trekken. En om die nieuwe medewerkers ook te houden.

De waarheid is dat in elke regio slechts een handvol bedrijven die benijdenswaardige uitgangspositie hebben. Voor alle anderen is het inderdaad knokken. De vraag is vooral tegen wie. Als we de veelvuldige analyses over de millennials mogen geloven, hecht de laatste generatie schoolverlaters meer belang aan wat in het Engels zo mooi de work-life balance wordt genoemd. Minder files, graag. En werk korter bij huis, eerder dan andersom. De competitie komt voor heel wat bedrijven dus niet van de andere kant van de wereld, maar van de andere kant van de industriezone.

Het probleem is dat de meeste ondernemingen hun war for talent als een afzonderlijke uitdaging zien, naast alle andere. Met grote, tot de verbeelding sprekende bedrijven aan de andere kant van het land als belangrijkste kapers op de talentenkust. Ten onrechte. Als je niet op zoek bent naar specifieke kennis die slechts aanwezig is bij een handvol mensen over de hele wereld, dan vind je de belangrijkste concurrenten elk jaar op de nieuwjaarsrecepties. Bedrijven die moeilijk nieuw talent weten aan te trekken, kampen altijd met dieperliggende problemen. In een flink deel van de gevallen gaat het zelfs om problemen uit onverteerde groeipijnen. En dat is geen toeval. De snelste groeiers zijn het meest op zoek, niet alleen naar nieuw talent. Naar vaardigheden die ze nu nog niet hebben. Daar loopt het nogal eens mis. Bedrijven die hun organisatie, aanpak en businessmodel op orde hebben voor hun volgende groeifase, vinden de extra personen die daarbij horen vrij gemakkelijk.

Er is één uitzondering. Het negatief imago van een bepaalde regio kan de toestroom van nieuw talent voor haar ondernemers echt hinderen. Ook voor bedrijven die hun zaken wel degelijk op orde hebben. Limburg zat lange tijd in zo’n situatie. Niemand van buiten Limburg wilde naar hier verhuizen. Eigen talent werd vaak buiten de grenzen opgeleid en kwam niet meer terug. Op dat vlak kan de overheid wel een rol spelen. Ook dat bewijst Limburg. Mede dankzij de volgehouden inspanningen van de lokale overheden weet de regio het oude beeld van een arme, landelijke regio van zich af te stoten en te vervangen door een nieuw. Dat heeft moeite gekost. En dat zal het ook nog wel even blijven doen. Maar die inspanningen lonen. Wie weet nu nog dat Silicon Valley ooit het werkterrein voor wijnboeren was?