Het recht om niet te veranderen

Het radionieuws van een paar weken geleden. Onderwerp: het verhogen van de pensioenleeftijd. Als de radio aangaat, hoor ik nog net iemand verklaren dat het verhogen van de pensioenleeftijd oneerlijk is. Want 'die nieuwe pensioenleeftijd is niet afgesproken toen ik begon met werken.'

De wettelijke pensioenleeftijd voor loontrekkenden werd hier ingevoerd in 1924. De pensioenleeftijd was ook toen 65. De gemiddelde levensverwachting in 1924 ken ik niet, maar de kans is groot dat die onder de pensioenleeftijd lag. In 1960 bedroeg hij 69,7 jaar. In 2010 was dat 81,3 jaar. Als we ons hadden aangepaast aan de veranderende omgeving, dan had de wettelijke pensioenleeftijd, alvast vanaf 1960, elke 4 jaar met een jaar moeten toenemen. De leeftijd is in al die jaren echter nooit veranderd. Zelfs niet één keer. Dat is geen verwijt. Het is een vaststelling die aantoont dat er inderdaad zoiets moet zijn als een aangeboren geviel bij mensen in loondienst dat ze het recht hebben om niet te veranderen. De ondernemens waarmee ik werk, hebben het moeilijk met heel wat dingen die ik van hen vraag, maar zich aanpassen aan de veranderende omgeving hoort daar niet bij.

Sinds die radio-uitzending vraag ik me af hoe het komt dat mensen nadat ze een arbeidersovereenkomst hebben ondertekend, het diepgewortelde gevoel ontwikkelen dat ze met die overeenkomst ook het recht hebben om zich niet te moeten aanpassen, terwijl ik dat gevoel bij ondernemers niet merk. Vanwaar komt dat fundamentele verschil in benadering tussen werknemers en zelfstandigen? Ze hebben beiden op dezelfde scholen gezeten, dezelfde leerkrachten gehad en dezelfde diploma's gehaald.

Als u het mij vraagt, ligt de verklaring niet in de menselijke psychologie maar in onze geschiedenis. Om werknemers te beschermen tegen mogelijke misbruiken van werkgevers - en er waren zeker ondernemers die zich daaraan bezondigd hebben- zijn er in de loop der tijd steeds meer zekerheden ingebouwd. Maar die zekerheden werden ook steeds absoluter. Ze beschermen nu blijkbaar niet meer alleen tegen onredelijke verwachtingen maar tegen elke verandering. Ook de noodzakelijke.

En daar moeten we vanaf. Want onze volgende generaties zullen met een ingebakken recht om niet te veranderen niet overleven. Laat ons eerlijk zijn, dat recht is er in werkelijkheid nooit geweest. Dat weten we al sinds Darwin. Maar we hebben het ons toch toegeëigend. Gelukkig veranderde de omgeving aan zo’n traag tempo dat aanpassingen op generatieniveau wel volstonden. Dat is niet langer het geval. In vergelijking met 1920 verandert onze maatschappij vandaag aan lichtsnelheid. Op elk vlak. We zullen bereid moeten zijn om zelf even snel te veranderen. Ook in fundamentele aspecten van ons leven, zoals bijvoorbeeld de leeftijd waarop we het recht hebben om niet meer te werken. Ik maak me geen illusies. Voor onze generatie is het te laat. Een fundamenteel recht neem je niet af, ook al is dat een gevoel en geen realiteit. Onze kinderen zullen echter alleen kunnen overleven als ze synchroon leven met hun omgeving en zich aanpassen. Dat betekent overigens niet dat iedereen zomaar alles moet aanvaarden. Wie bepaald gedrag niet wil stellen, zal niet met een veto achterover moeten leunen, maar de omgeving zo moeten aanpassen dat het een gewenste gedrag daarin past. Maar wat men niet kan of wil veranderen, zoals bijvoorbeeld de stijgende levensverwachting, moet de volgende generatie leren aanvaarden. Met al zijn consequenties. Maar het zou wel eens kunnen dat de volgende generatie ons zal confronteren met onze onwil om te veranderen. En ons daarvoor de rekening presenteert. Geef hen dan maar eens ongelijk.

Foto: